Als onbetaalbare parels nestelden de eerste dauwdruppels zich op het frisse groen van de klaverbloemen.
De gure wind, die de nachtelijke uren nog flink van zich had laten horen, was gaan liggen.
Een enkel vochtig wolkje trok aan de hemel voorbij, waarbij het de nog zichtbare sterren voor korte duur hun waardige glans ontnam.
De verre roep van een verdwaald groepje uitbundige watervogels deed zijn oogleden bewegen.
Hoe zeer hij het ook wilde, het kostte hem ogenschijnlijk veel moeite het getemde licht te aanvaarden.
Hij knipperde.
Met een langzame beweging hief hij zijn rechterhand voor zijn gezicht.
Geronnen bloed.
De weeïge, prikkelende geur van benzine drong langzaam zijn neus binnen en verdrong op brutale wijze de onschuldige ochtendbloesem die liefelijk om hem heen had gehangen.
Angst maakte zich van hem meester en hij draaide zijn hoofd moeizaam naar links.
Door zijn samengeknepen oogleden was de Opel Kadett onderaan de oude spoorbrug niet meer dan een silhouet. Hij richtte zich op. De inzittenden bewogen niet.
Zijn fiets lag ernaast.
Kapot.
Het ochtendbriesje blies ondeugend het voorwiel in het rond.

Mooi. De zin over de gure wind misstaat qua stijl m.i. een beetje. Desondanks +1