Samen zaten ze daar. In een eeuwig durende rust. De man en het hondje. Hun hele bestaan voltrok zich op die paar vierkante meter deken. Hier hadden ze lief, waren ze blij, werden ze bedroefd. Hier stonden ze op en gingen ze naar bed. Het was hun eigen kleine vertrouwde wereld.
Hun bestaan was nooit iets anders geweest dan dit. Het was van henzelf, van de man en het hondje. Een durend kameraadschap zonder aarzeling of onzekerheid. Ze waren niet rijk, maar ze hadden niet veel nodig. Het hondje kreeg af en toe wat te eten toegeworpen en de man kreeg soms het geld waar hij om vroeg van voorbijgangers.
De voorbijgangers waren een wereld los van de man en het hondje. Toch hadden zij de inmenging van de grauwe drukke mensen nodig om te overleven, en in dit lot schikten zij zich.
Ooit was het anders geweest. Toen waren ze jong. De hond speelde op enorme grasvelden en de man lachte veel. Zij hadden toen familie en vrienden en vrolijke kinderen renden met hen mee. Herinneringen, dat was wat er nu nog over was.
Voor de hond was dit plezier nog langer geleden dan van de man. De man had nu nog het idee dat hij er eigenlijk niet hoorde, op die vieze deken. De man dacht nog naar weemoed terug aan vers gestoomde pakken, aan een sneetje toast met boter, aan een vrouw en gelukkige avonden in bed. Dat was wel even wat anders geweest.
Tuurlijk, er waren ook problemen. Koude koffie op maandag ochtend, het brood op, te laat voor zijn werk.
Samen sliepen ze nu. Rillend van de kou, tegen elkaar genesteld als kleine kinderen in oma's bed in een ietwat eng huis. De hond droomde, van worstjes en merg en brokjes vers uit het pak. Wat een luxe is er toch in dromenland!
Ook de man droomde. Hij liep met zijn aktetas door kille gebouwen. Verdieping na verdieping zoekend naar het juiste kantoor. Buiten was het grijs als altijd. Niks dan grijze koude lucht en sirenes van ambulances beneden. Paniekerig begon hij te zoeken, naar een ander, iemand die het juiste kantoor wist aan te wijzen. Maar de mensen zagen hem niet, ze zagen hem nooit, overal dezelfde pakken. Regenjassen druipend aan een kapstok...
De man schrok wakker. Rillend kroop hij dichter naar zijn trouwe vriend en vroeg zich af hoe hij hier gekomen was. Langzaam kwam zijn geschiedenis terug geslopen. Wat een geluk had hij gehad die middag. Hij liep met zijn aktetas over straat. Weer een dag. Weer op weg naar hoge gebouwen midden in de stad. Onderweg zag hij een man zitten op een lappendeken. Zijn pak was gescheurd, hij deelde zijn laatste stukje eten met zijn hond. Voor hem stond een plastic bekertje met wat centjes er in. Wat een geluk dacht hij nog, dat die sukkelaar nooit naar zijn werk moet. Net toen hij op het punt stond verder te lopen wenkte de oude zwerver hem. Hij vroeg hem even op de hond te passen. De zwerver had blijkbaar een dringende boodschap, hij zou maar een minuutje wegblijven. Aarzelend ging hij bij de hond staan. Zachtjes klopte hij het oude dier op de hals. Een minuutje kan geen kwaad dacht hij nog terwijl stoffige hondenharen hem om de oren vlogen.

tis voor fragmenten niet voor hele boeken. -1