Schoorvoetend betrad ik de balzaal, "typisch" dacht ik, balzaal. Een betere naam kon ik niet verzinnen voor deze verzameling schor en jolig gestemde jongemannen. Ik pakte al mijn moed bij elkaar en liep naar het midden van de zaal, de vloer plakte onder mijn schoenen als vers gebakken cake in zijn vorm. Eenmaal in het midden aangekomen, trok ik mijn broek uit en riep:"DE DUITSERS KOMEN", enige vorm van balbeheersing was nu wel gewenst.
Ik, Reinhardt.
Uit: "Ik, Reinhardt." door D. Achau, amsterdam, 1940.

Achau toont hier een frapant stuk schrijfkunst, waarmee hij zich voor goed tussen de na-oorlogse literaire elite zal scharen. Een werk waarin hij zowel het Leidse verenigingsleven als de spanning van de Tweede Wereldoorlog zuiver onder de loep neemt.
Een bizar, komisch, maar vooral helder werk waarin de schrijver zijn diepste emoties blootgeeft.
Th. Joh. Waldheim over "Ik, Reinhardt" in het Estische tijdschrift "Lappa Wappa"