1987. Er heerst een gespannen stemming in het klaslokaal. Kinderen schommelen zachtjes op hun vierpotige krukjes en slaan de gemaakte frivoolheid van de pabo-stagaire nauwlettend gade. Eerste stagedag, nat achter de oren. Je kunt het ruiken. En zij zal het merken. Heupwiegend nadert het rondborstige popje mijn kruk. Ik ben aan de beurt. Haar stem is doordrenkt met valse interesse.
‘En wat wil jij later worden, kleine man?’
‘Chuck Norris!’, gil ik uit en met een zwaartekracht tartende sprong begraaf ik mijn knie in haar gezicht. Geplaagd door tranende ogen en consternatie verdrinkt haar zelfverdediging in desoriëntatie. Mijn afdaling wordt voorzien van een krachtige gedraaide schop in de zij, wat haar gevoel voor balans niet meer kan bijbenen en tuimelend als een gewond hert versplinterd haar lichaam het glazen terrarium van onze woenstijnmuis ‘Turbo’, die vol ijdele hoop zijn vrijheid tegemoet rent.
Met een snoekduik bemachtig ik de mattenklopper, waarmee ik met een lange elegante zwaai de zweterige binnenstormende conciërge tussen de ogen raak, welke met zijn enorme massatraagheid tegen het openstaande schoolbord klapt en het aantal botten in zijn hoofd verviervoudigd.
De directeur, gealarmeerd door alle commotie en verschanst in zijn kantoor achter een muur van bureaus en stalen ordnerkasten, schreeuwt: ‘je krijgt me nooit te pakken, klerejoch!’, maar de gierende angst laat zijn stem beven.
‘Deze keer ga je eraan geloven, Vesteegh! Hoor je me?!’
En onder luidt gewoel van strijdkreten bestorm ik voor de zevende keer de bastille der kantoormeubilair op mijn driewieler.
Uit: "Infantiel, maar gewapend" door
Balthazar, Eindhoven, 2008.