De krant sprak van ‘Venusbeeld- moordenaar’, het lokale sufferdje noemde me de ‘Kunst-killer’, terwijl het landelijke weekblad vol sport, auto’s en lekkere wijven een profiel aan me weidde: ‘Gefrustreerde psychopaat zoekt erkenning’. Nu was ik inderdaad niet de gemiddelde kettingzaagmaniak maar om me daarom gelijk maar psychopaat te noemen vond ik wat overdreven.
Wat ik deed was kunst, verstilde emotie, gevat in klassieke schoonheid. Telkenmale was een bezoek aan een wereldberoemd museum, of het zien van een welhaast canonieke film eraan vooraf gegaan. Waar anders vond ik een blauwere engel dan in het Berlijn van de jaren ‘90? Wie sprak er van mijn lijdensweg, op zoek naar de perfecte Venus van Milo, na een bezoek aan het Louvre? Wie wist van mijn nachtelijke dwalingen door de krochten van Rome, louter en alleen om Anita Ekberg te doen herleven in de Trevi-fontein? Zelfs die verdwaalde toerist, die in Praag mijn ‘Jan Palach meesterwerk’ had moeten worden, had geen idee gehad. Niemand, behalve de cultuurbarbaar, annex achteloze krantenlezer die op bladzijde 5, bij klein buitenlands nieuws, anderhalve kolom berichtgeving aantrof wist iets van mijn geestesleven.
Aangespoord door de professionele zorg, die ik ten langen leste toch had gezocht, nam ik een abonnement op Neêrlands vrolijkste weekblad. Met Donald, de drie neefjes en oom Dagobert zou ik mijn kunstpassie kunnen overwinnen, zo was de idee. Helaas ontwikkelde ik daarop een brandend verlangen om gekleed te gaan in kledij die slechts het bovenlijf bedekte. Een keuze voor de elitairdere Ollie B. Bommel-verhalen had daaraan niets veranderd, bedacht ik me toen ik me van staatswege mocht ophouden in een niet al te ruime gewatteerde kamer. Heer Bommel droeg dan wel licht gedateerde geruite Harris-tweed jasjes, zijn berenpoten staken daarbij toch maar naakt af. Zijn kompaan Tom Poes bleek zelfs in het geheel niet gebukt te gaan onder dracht van enige kledingstukken.

Een leuke mix van erotiek, psychopatie (patent) en Geert Mak.