Zoals altijd bij het zien van een doodgereden das op een provinciale weg, schoten hem verzen te binnen van de Armeense dichter Peretros Vuraya (1817-1844), verzen zo fragiel, zo breekbaar, zo wonderschoon–zo vulgair ook–dat ze het niet zouden verdragen hier herhaald te worden.
‘O Armenië,’ dacht hij, en starende langs zijn zilveren Renault Mégane naar een strakblauwe West-Friese hemel droomde hij voor even weg naar zijn thuisland. ‘O Armenië, land van mijn vaders, land van besneeuwde bergtoppen en rookspuwende vulkanen, van zwartglanzende meren en zoetgeurende kersenbloesem, land van zompige rijstvelden en uitgestrekte prairies, bakermat van de Renaissance en van mijn eigen leven!’
En uitziend naar verre kusten vergat hij volledig het opengereten karkas van de das die hij van de weg had willen ruimen, alsook de groeiende rij almaar luider toeterende auto’s achter hem. ‘O Armenië, land van mijn vaders, zal ik u ooit nog weerzien in de lente van uw jaren, zoals ik u eens zag met de onbevangen blik van het pas-ontwaakte leven?’
En bevangen door zijn visioen zette hij een voorzichtige stap voorwaarts, een hulpeloze, vergeefse poging zijn reeds vervliegende droom van het verleden binnen te stappen. Onder zijn voeten voelde hij het kraken van botten als het barsten van duizenden glazen.

Dank u zeer. Het spijt me dat ik deze schatkamer der Nederlandse Letteren nu pas ontdekt heb.