Op een druilerige dinsdagochtend in het centrum zag ik Isobel voor het eerst. Ondanks het gereformeerde weer droeg ze een vrolijk zomerjurkje, haar ravenzwarte haar danste als een mysterie over haar rug. Ik bezat de wil noch de wilskracht weerstand te bieden aan haar onuitgesproken, maar daarom niet minder aanwezige verleidingen. Ze moest en zou de mijne worden. Verbijsterd was ik van zoveel schoonheid. Maar ineens werd ik mijzelf bewust van wie ik was, van wat mijn communicatieve vaardigheden waren en van mijn functionaliteitsbesef - en daarmee mijn eigenwaarde - die al jaren dankzij werkloosheid op een dieptepunt stond. Bijna vastgenageld stond ik daar op de grijze tegels van de grijze Hoofdstraat, met Isobel in haar rode jurkje als schrijnend contrast. De wanhoop nabij voelde ik mijn gezonde verstand wegebben en de leiding van natuurdriften opkomen. Ik besloot haar te volgen.
Van een gepaste afstand merkte ik dat Isobel niet functioneel aan het winkelen was, ook leek ze geen duidelijke bestemming te hebben. Dat maakte het stalken een stuk moeilijker, want soms stopte ze onverwachts en bleef ze voor een etalage staan kijken. Ik probeerde haar dan zo nonchalant mogelijk in te halen om twintig meter daarna mijn veter te strikken of iets in die trant. Zo had ik haar in tien minuten al drie keer ingehaald - en zij mij twee keer, toen ik merkte dat ze niet meer achter me liep. Ik draaide mijn hoofd zo onopvallend mogelijk om en zag haar de andere richting oplopen. Haar nu opnieuw achtervolgen zou gênant worden. Ik wist het en ik vermoedde dat zij het ook wist. Het kon me niets schelen. Ik rende haar achterna, plukte in de loop een vertrapte kassabon van de grond, en sprak haar aan: "Jongedame, volgens mij hebt u uw kassabon laten vallen!" Nog voordat ze had geantwoord en ik had nagedacht wat ik in vredesnaam aan het doen was met mijn botte harses, had ik mijn hand al uitgestoken om het modderige vod in haar hand te stoppen. Met weerzin en walging keek ze naar het besmeurde papier en deinsde terug. "Lijkt me niet, hoor."
Die seconde stond de tijd eeuwenlang stil. Miljarden gedachten schoten als giftige speren door mijn hoofd, elk een dodelijke wond achterlatend. Ik voelde mezelf klein worden en uitermate verlegen naar de grond kijkend kon ik nog uitbrengen: "O, sorry."
- "Geeft niets. Kan gebeuren." En weg was ze. Onaangedaan door mijn onverzorgde tronie liep ze met dezelfde opgewekte tred verder. Dat gaf hoop. Blijkbaar vond ze me helemaal niet afstotelijk. Ze wist nu van mijn bestaan en ze accepteerde het, alsof ik mijn leven aan haar aanbood, zij het dat het slechts een lege verpakking zou zijn, en zij nam die dankbaar in ontvangst. Misschien speelde ze wel hard to get. Ik zag een glorieuze toekomst voor ons. Ik nam de beslissing om haar opnieuw te volgen.

Vaak ook komt men ze tegen als Balkan-types, al dan niet voorzien van een mobiel huis op wielen.