Nauglor stortte ter aarde van ontzetting toen hij bij de Groene Poort aankwam. De piekeniers vertelden hem het tragische nieuws van de aanval van Rothrom, de Duistere Tovenaar. Velen hadden de dood gevonden en Het Zwaard van Licht was gestolen.
Na een korte rustpoos besloot Nauglor het magische wapen terug te roven uit de zesvingerige handen van de vijand van heel het rijk Brovidar. "Tark Haelin!", moedigde hij zijn persoonlijke lijfwacht aan en gaf zijn paard Trogkal de sporen. Hij zette de achtervolging in die hem tot over de Blauwe Bergen zou voeren, rechtstreeks naar de Bronzen Troon van Rothrom.
Na vijf dagen kwamen zij bij de Verborgen Pas in de bergen aan en gingen te voet verder. De bergpas was geen plek voor paarden, althans niet om bereden te worden, en daarom hielden zij hun paarden aan de teugel en leidden ze zo goed en kwaad als het ging door de pas. Rothrom had reeds verwacht dat een achtervolging hierlangs zou komen en had hier een deel van zijn kwaadaardige gevolg achtergelaten, om Nauglor met zijn mannen in een hinderlaag te bestormen. "Triak!", riep een van de mannen uit, maar het was al te laat. Het persoonlijke leger van Nauglor werd erg uitgedund, maar zie, hijzelf hanteerde zijn zwaard Firtnaak vurig en doodde minstens twintig van de Hoilas die hen aanvielen. Nauglor moest verder met minder mannen en de tocht zou hem zwaar zijn gevallen als hij niet tenslotte hulp kreeg van Fribvalaa, de onverschrokken Saido-strijdster. Zij bracht een leger van honderd zwaarbewapende paladijnen met zich mee en samen aanvaardden zij de tocht naar de Bronzen Troon.
Na drie dagen reizen kwamen zij bij de Zilveren Stad des Doods, die in de taal van Rothfiors 'Gheris man Tiralmas' werd genoemd.
"Erb majk liemah Trehen!", riep Nauglor over de onverwachts lichtbewaakte stadsmuur heen.
"Tromsdre girlawm polrta irtiam kensa yursilsa", was het antwoord en de poort ging open. En zie, Rothrom zelf kwam naar buiten en had het Zwaard van Licht getrokken. "Qaf na Kawlin preab lerthantionamas!", brulde hij Nauglor toe. Nauglor antwoordde terwijl zijn bloed kookte van woede:"Geha juntdhe milka ferthuk Firtnaak, Rothrom!" De Duistere Tovenaar, niet gewend aan zoveel tegenspraak had een dodelijke toverspreuk willen uitspreken tegen Nauglor en Fribvalaa, maar er kwam niet meer uit dan "Reg niof truds Haigorthsa jeg has mitghres" en dat was het geluk voor Nauglor. Nu zag hij zijn kans schoon.

Het stuk mag dan ook beschouwd worden als pure satire van een genre.