Het vreemdste gesprek dat ik ooit heb meegemaakt in het park was met een zonderling in extremis. Typisch zakenmannetje: snel kapsel, vrolijk kostuum, maar wel met een zelfvoldane korzelige rotsmoel.
- "Je ziet er nogal als een klootzak uit."
- "Pardon?"
- "Je ziet er nogal als een klootzak uit."
- "Sorry. Ken ik u?"
- "Nee. Gelukkig niet".
- "Waar slaat het dan op om mij zomaar een klootzak te noemen?", vroeg de man geagiteerd.
- "Ik heb het recht dat te zeggen."
- "Heeft u soms Gilles de la Tourette of zo?", vroeg hij. Ik merkte dat hij mijn eerste opmerking probeerde te ontwijken. De lafbek.
- "Nee hoor."
- "Heb ik u dan soms iets misdaan?"
- "Hier zitten lijkt mij al voldoende."
- "Kom op zeg. Dit slaat echt nergens op."
- "Je probeert mijn opmerking te ontwijken. Het gegeven dat je je zo defensief opstelt, bevestigt alleen maar mijn oordeel."
- "Flikker toch op man."
- Op je banaliteiten zit ik niet te wachten. Je mag dan wel ouder zijn dan ik, maar zo te merken was een goede opvoeding aan jou niet besteed."
- "Hè?"
- "Dat bedoel ik."
- "Goed... Dit heeft geen zin. Ik vertrek voordat mijn stoppen doorslaan."
"Zie je wel? Je bent gewoon een klootzak."
De man verloor hierop elke vorm van beschaving en zette het op een rennen, nog voordat onze dialoog goed en wel fatsoenlijk was beëindigd.

Het zou afbreuk doen aan het boek als het het Vondelpark zou zijn. Het werkelijke park waar dit fragment zich afspeelt is niet zo pretentieus en speelt zich ook niet af in zo een pretentieuze plaats.
Dank voor de hulde in ieder geval.