Het was een mooi nazomers dagje. De westenwind was zacht en vol vergiffenis. Desalniettemin had Johan een ongedefinieerd gevoel van onbehagen. Er zat hem iets goed dwars, maar hij kon zijn vinger er niet opleggen. De roestige spijker in zijn linkervoet herinnerde hem er weer aan dat het potje Hamertje Tik met zijn zesjarige buurjongen behoorlijk uit de hand was gelopen.
Uit: "Waar gehakt wordt, vallen spaanders" door J.P. van Geuzen, Hoofddorp, 2002.
