Half struikelend strompelde ze naar het dichtstbijzijnde huis. Nog voordat ze opgelucht adem kon halen over het feit hoe fijn het wel niet was om onder zo’n luxe carport te kunnen schuilen sloeg een norsige man van een jaar of 40 de deur open. Hij had een riante snor en bretels in de kleuren rood-wit-blauw. Bovendien zwaaide hij gevaarlijk met een goedendag, alhoewel er van een warm welkom geen sprake was: “WAT KOM JE HIER DOEN, VIEZE TEEF?!” bulderde hij. Shirley deinsde terug en bracht met zachte stem uit “But meneer, I have zojuist been geschopt out of the bus omdat I per accident not the juiste kaartje had!” De man, Rudolf, wond zijn snor om zijn vinger en dacht na. “And”, voegde ze eraan toe, “het is raining so I went overhier to schuil for the rain”. “Kun je misschien pijpen?” vroeg Rudolf. Dit begreep Shirley wel, en ze knikte heftig. Waar ze vandaan kwam deed ze niet anders. “Hm, kom maar eventjes binnen dan” zei Rudolf verlekkerd.
Hoe een negerin een neonazi werd
Uit: "Hoe een negerin een neonazi werd" door Jaap de Vries, Rotterdam, 2000.
Door Jaap de Vries
"...het feit hoe fijn het wel niet was om..."
Mocht het zo zijn dat ik u was, dan zou ik nog enkele malen nadenken over deze dubieuze zinsconstructie.

De eerste zin deed mijn hart opspringen van geneugte, daar strompelen en struikelen in noordelijk Nederlands inwisselbaar zijn.
Overigens wordt de naam van de antagonist op twee verschillende manieren geschreven.