“We zijn er.”
“Ja. Ik zie het.”
“Moeten we hier niet overstappen?”
“Geloof het wel. Ik vergis me altijd.”
“Welk perron?”
Ik wil heel erg graag zeggen dat ik denk dat we naar perron vijftien moeten, maar zeker weten doe ik het niet.
“Ik weet het niet.”
“Aan jou heb ik ook niets.”
We lopen door en kijken op het bord. We moeten inderdaad naar perron vijftien. Ik vloek zachtjes.
“Godver.”
“Wat is er?”
“We moeten naar perron vijftien.”
“Vloek je daarom?”
“Ja.”
“Laten we gaan. Hij vertrekt over zes minuten.”
Van de metro naar de trein
Uit: "Van de metro naar de trein" door Jaap de Vries, Utrecht, 2007.

De Jeugd van Tegenwoordig toch ook.