Het roodharige meisje - ze noemde zichzelf Iris, geloof ik- zat op haar knieën. Haar witte gezichtje leek nog bleker door het felle licht dat haar vanuit het grote venster in het zonnetje zette. Alle bloed leek uit haar aderen getrokken. Als een klein hoopje onschuld keek ze mij aan, met van die grote felgroene ogen. Kotsmisselijk liet ik mij op de luie stoel neerstorten, mijn kont plakte meteen aan het leer. Beschaamd keek ik naar de veel te grote zwarte BH die ze op de tafel had gegooid. Die was duidelijk niet van haar. Ik voelde me ranzig. Aangerand. Al was het waarschijnlijker dat dat haar aanklacht jegens mij zou worden.
Vrouwen weten alles te verdraaien
Uit: "Vrouwen weten alles te verdraaien" door Nienna Linwëlin, Potsdam, 1993.

Afgezien van de clichézin "Als een klein hoopje onschuld keek ze mij aan, met van die grote felgroene ogen" het snoepje van de week.