Hij had zich andermaal in de luren laten leggen. Door een vrouw nota bene. Het was dan wel zijn moeder, maar toch. Hij dacht die leeftijd al ontgroeid te zijn, waarbij zijn moeder nog iets over hem te zeggen had. Nu had zij hem toch weer opgegeven voor een cursus kantklossen. Daar zat hij dan, tussen het door de God van het ranzige vet ruim bedeelde huisvrouwenvolk. Terwijl zij van hun laatste menstruatie genoten en dat tot in detail met elkaar deelden, probeerde hij tevergeefs een strop bij elkaar te kantklossen.
Uit: "De roestige breinaald van mijn oma" door Nonkelberg, Zevenhoven, in 1984 uitgegeven door Kant en Klara.

Welk een passende uitgeverij!