Gert gromde vanuit zijn diepste wezen en greep nog eenmaal stevig met beide kolenschoppen in haar onaangetaste, warrige haren. Een laatste stoot, die totale inspanning en een met grote moeite onderdrukte kreun.
Zijn vingers ontspanden langzaam en gleden door de wol, die vettig aanvoelde. Hij boog voorzichtig voorover, uithijgend, en fluisterde in haar oor: "Ik dacht dat het niet bestond, tot ik jou... Met jou zou het kunnen, weet je. Jij... jij mekkert ten minste niet zo."

Ach, Tinus (tenminste, ik ga er gemakshalve maar even vanuit dat de "T" in T.T. Ravenzicht daarvoor staat), is net nieuw. Dat zijn werk op eerdere fragmenten lijkt, tja, daar kan het arme schaap ook weinig aan doen.
Wees zo goed, waarde heer, de verzekering van mijn bijzondere gevoelens te aanvaarden.
Hoogachtend,
Th. Joh.