Het is weer zo'n ordinaire zondagavond. Moe van de dag. 's Ochtends wakker gepijpt zijn door een afzichtelijk monster dat zich echtgenote noemt, de hele dag allerlei klusjes in en om het huis verricht. Het gras gemaaid, de gootsteen ontstopt, de te kleine kuthondjes die de echtgenote zo schattig vindt uitgelaten en van vieze brokken voorzien. Dat alles werd afgesloten met een smerige kop snert, die diezelfde echtgenote met "zorg" heeft bereid, omdat je alle klusjes die dag weer puik hebt afgeleverd. Het is acht uur 's avonds. Eindelijk rust, de echtgenote doet de was en ik hang lekker voor de televisie.
Juist, het sportprogramma op de publieke begint. Net wat ik nodig had. Beelden van de Olympische Spelen. "En dan nu, de Olympische Spelen", hoor ik een blaaskaak die luistert naar de kolderieke naam Toine zeggen. "Atletiek, de Nederlandse estafetteploeg in actie. We laten u de beelden zien uit Peking".
Ik sta op, besluit nog een biertje uit de koelkast te pakken, doe dat, omdat ik op dat moment denk dat dat juist is en zak terug in mijn fauteuil. Ik open het blikje en ga er eens lekker voor zitten. Ik zie de Nederlandse jongens in hun strakke pakjes klaar voor de start staan. Nou ja, Nederlandse. Hun door de strakke broekjes zo fijn geaccentueerde buitenproportionele apparaten verraden naast hun huidskleur dat ze van Antilliaanse origine zijn. Surinaamse voor mijn part. Drie stuks, tussen al dat andere gespierde negergeweld.
De derde loper, ah, een blanke. Guus Hoogmoed. Ik neem een voorzichtig slokje van mijn zojuist geopende pils en bedenk dat hoogmoed dikwijls voor de val komt. "Nu maar wachten tot loper nummer vier met zijn glimmende tandpasta-gelaat lekker hard op dat rode kunststof flikkert", hoor ik mezelf hardop denken terwijl ik een sadistische grijns niet langer kan onderdrukken. Ja, een nare vrucht ben ik...

toch gelezen, waardeloos