Het was juist die periode, in welke wij, mijn kameraden-collegae en ik, onze gevangenen sporten lieten beoefenen ter eigen vermaak. Niet in de eerste plaats om toe te kijken hoe zij elkaar afslachtten of hoe zij blunderden, maar bovenal om ludieke woordgrapjes te kunnen maken. Want spelen met taal deden wij in die dagen al. Zo herinnerde Kurt-Eberhardt mij die gure winteravond aan de bokswedstrijd die wij in '41 organiseerden tussen de 28-jarige amateurkampioen Yechezkel en de 11-jarige uitgehongerde Simcha. Terwijl Yechezkel zich opmaakte voor zijn eerste rechtse, schreeuwde kameraad-collega Gerdt: "Kom op, Yechezkel! Dit is besneden koek voor jou!" We bulderden van het lachen en verlieten onze geïmproviseerde boks-arena. Dagenlang hadden wij schik om de taalgrap en bekommerden ons niet om de afloop van de bokswedstrijd an sich.
Nu was het die bewuste gure winteravond in 1944. Ik had zojuist Friese doorlopers aan de voeten van de 6-jarige Leib gebonden. Eigenhandig duwde ik hem het ijs op. Hij wankelde, schaatste zijn eerste vijf meter en kwam ten val. Ik hoorde Bernt roepen: "Dat is nog eens goed besneden ten ijs komen!" We bulderen wederom, lieten Leib voor wat hij was en besloten huilend van het lachen een schnaps te drinken in de dichtstbijzijnde kroeg. Daar zou ik Adelhilde voor het eerst ontmoeten. Een onstuimige nacht, welke een keerpunt in mijn leven zou betekenen, werd mijn deel.

Mooi!