Koning Balthasar zat in de kou op een steen, gelegen in een koninkrijk dat niet langer het zijne was. Droevig staarde hij naar de grijze, afgeknipte baard in zijn handen.
Hij slaakte een diepe zucht. Het was een mooie baard. Toch was hij er vrij zeker van dat hij "mijn koninkrijk voor een paard" had gezegd.
Uit: "Koning Balthasar" door Zwezerik, Hendrik Ido Ambacht, 1866.

Inderdaad een hoge waardering. Scherp geconcludeerd, heer Uytenheugte. Wat mij betreft echter zijn de elf punten meer dan verdiend.
Wees zo goed, waarde heer, de verzekering van mijn bijzondere gevoelens te aanvaarden.
Hoogachtend,
Th. Joh.